Ster-vlieger (1969)

Hits: 184

Het geraamte hiervan wordt gevormd door drie vurenhouten latten die om de vlieger de gewenste grootte te geven ongeveer 1,5 m lang moeten zijn.

Deze latten meten voorts 2 x 1 cm. We bepalen het midden van die latjes en bevestigen ze op die middelpunten met een spijkertje aan elkaar. De latjes komen gekruist over elkaar te liggen. De hoeken die de latjes onderling met elkaar vormen, moeten 60 graden bedragen. Wanneer we dit nagegaan en eventueel bijgesteld hebben, kunnen we de latjes met een tweede spijkertje vastzetten, waarna de verbinding door het omwikkelen met vliegertouw verstevigd kan worden.

Vervolgens worden aan het middelpunt van het geraamte zes spanlijnen vastgeknoopt. Deze spanlijnen zijn ieder precies gelijk van lengte (ongeveer 50 cm). Aan het eind van iedere spanlijn wordt een klein lusje geknoopt. We doen er verstandig aan om bij het aanbrengen van deze spanlijnen de lengte van iedere lijn steeds te vergelijken met die van de eerste, zodat er zo weinig mogelijk lengteverschil zal ontstaan.

De kopse kanten van de latjes gaan we voorzien van een inkeping, die ongeveer 3 mm diep moet zijn. Dit kan met een scherp mesje, maar ook met een kapzaagje gebeuren. Wanneer we na dit onderdeel vliegertouw door de lusjes van de spanlijnen en de inkepingen in de latjes spannen, ontstaan automatisch de contourlijnen van een ster. De eindpunten van dat stuk touw worden op de kopse kant van een van de latten vastgeknoopt. Hierna meten we de onderlinge hoeken tussen de latten weer even na.

Voordat we het geraamte van de vlieger gaan beplakken met vliegerpapier, knippen we uit krantenpapier een mal van een segment. We gaan bij het beplakken uit van zes segmenten. Deze segmenten worden gevormd door twee spanlijnen en twee contourlijnen. Bij het knippen van de mal houden we over de hele omtrek een extra ruimte van ongeveer 4 cm aan.
We gebruiken bij voorkeur drie verschillende kleuren vliegerpapier. Wanneer we de zes segmenten aan de hand van de mal uitgeknipt hebben, gaan we deze aan elkaar plakken, waarbij ze elkaar 3 a 4 cm overlappen. Voordat het laatste segment vastgeplakt wordt en de stervorm dus compleet geraakt, worden de vastgeplakte segmenten voor de laatste maal gecontroleerd om na te gaan of ze overeenstemmen met het geraamte. Waar dit niet het geval is, moeten ze worden bijgeknipt.

Vervolgens wordt het vliegerpapier aan het geraamte vastgeplakt. Hiervoor gebruiken we celluloselijm of behangsellijm. Op de hoeken van de stervorm wordt het vliegerpapier schuin weggeknipt. Wat er aan papier buiten de contourlijnen van de ster uitsteekt, wordt als een soort zoom omgeslagen en vastgeplakt. Wanneer dit achter de rug is, spannen we nog een touw rondom de uiteinden van de latjes. Om dit touw worden stroken vliegerpapier gelijmd, die later tot franje geknipt worden.

Aan de voorzijde van de vlieger maken we nu een bovenlus en een onderlus. De bevestigingspunten van de bovenlus komen op twee aan elkaar grenzende latjes en wel op ongeveer twee-derde van de lengte, gerekend vanaf het middelpunt. De onderlus wordt op dezelfde wijze bevestigd aan de twee tegenoverliggende latjes. De bovenlus is korter dan de onderlus. Wanneer beide lussen aan elkaar geknoopt zijn en strak staan, dient de onderlus met het vlak van de vlieger een hoek te vormen, die iets kleiner is dan 90 graden. Aan het knooppunt van die twee lussen knopen we een kort stukje touw, waar de lijn via een lusje aan bevestigd wordt. We controleren daarna of de vlieger in balans hangt.

Aan de achterkant van de vlieger wordt eveneens een lus gemaakt, die aan twee aan elkaar grenzende latjes vastgeknoopt wordt. Aan deze lus komt de staart van propjes papier te hangen.

Origineel geschreven door een onbekende schrijver
Gepubliceerd in VT Vrije Tijd, juli 1969
Originele titel: Dat zijn pas vliegers